mmk.be >

Vlaamse humane biomonitoringscampagne

Tegenwoordig is het algemeen geweten dat het milieu een invloed heeft op de gezondheid. Maar om nu precies te weten wat die invloed is, hoe groot ze is, wie er het meeste last van heeft,... moeten de vervuiling en zijn effecten gemeten worden in de mens zelf. Daarom wordt in Vlaanderen sinds een 10-tal jaar "gebiomonitord".

Deze biomonitoring wordt in verschillende campagnes uitgevoerd door het Steunpunt Milieu&Gezondheid in opdracht van de Vlaamse Overheid. Aangezien enkel meten en weten niet voldoende is, worden aan de resultaten ook acties gekoppeld, zoals het fasenplan.

  Logo Steunpunt Milieu en Gezondheid

Wat is de biomonitoringscampagne?

Resultaten campagne 2002-2006

Fasenplan

Deelstudie Astma en allergie bij opgroeiende kinderen

Deelstudie “Neuropsychologische ontwikkeling bij opgroeiende kinderen”

Hotspots 2009-2010

Rol van de Medisch Milieukundige bij de LOGO’s


Wat is de biomonitoringscampagne?

In opdracht van de Vlaamse Overheid liep in de periode van 2002-2006 het Vlaams Humaan Biomonitoringsprogramma. Dit is een meetnet waarin gehaltes aan vervuilende stoffen in enkele honderden Vlamingen werden gemeten en waarin nagegaan werd of deze eventueel gezondheidseffecten veroorzaken. De campagne liep bij drie doelgroepen: moeders/pasgeborenen, adolescenten (14-15j) en volwassenen (50-65j). Bij jonge mensen meette men vooral de huidige milieubelasting, bij ouderen de opstapeling gedurende vele jaren.
De resultaten van de meetcampagnes worden statistisch uitgedrukt per gebied, wat toelaat om de gebieden onderling te vergelijken en om regionale ontwikkelingen in de tijd op te volgen bij herhaling van de metingen. De meetresultaten kunnen géén beeld geven over de relatie milieu en gezondheid op gemeentelijk niveau. Maar uiteraard zijn deze gemeenten wel betrokken partij bij de resultaten.
Er was gekozen om te monitoren in acht aandachtsgebieden in Vlaanderen met een kenmerkende en verschillende milieubelasting:

Vlaamse biomonitoringscampagne

 
Er bestaan vele soorten biomerkers. Er moest dus ook gekozen worden. De nadruk in dit meetnetwerk lag op biomerkers van blootstelling en vroegtijdige biologische effecten in relatie met drie prioritaire gezondheidseffecten: (1) ontwikkeling en fertiliteit, (2) astma en allergie, en (3) kankerrisico.
De keuze van de merkers is gebaseerd op de internationale vakliteratuur en op de resultaten van een vorig pilootonderzoek (Milieu & Gezondheid ’99). Er werd ook rekening gehouden met kostenefficiëntie van de merkers. Het aantal proefpersonen dat betrokken werd in deze studie is immers groot (en eveneens gebaseerd gegevens uit het pilootproject).
 
terug

Resultaten

Eerste fase: Campagne pasgeboren juni 2005

Wat zijn de belangrijkste bevindingen:

 
Biomonitoringscampagne campagne pasgeborenenHet gebied waar men gedurende minstens vijf jaar voor de bevalling woont, heeft een invloed op de gehaltes moeilijk afbreekbare vervuilende stoffen die in het navelstrengbloed worden teruggevonden.

Er zijn in bijna alle onderzochte gebieden één of meer vervuilende stoffen verhoogd t.o.v. berekende referentiewaarden voor alle gebieden samen. 

Uit de navelstrengbloedwaarden werden de bloedgehalten van de moeder geschat. Voor sommige vervuilende stoffen liggen deze gehalten in de buurt van richtwaarden waarboven de Wereldgezondheidsorganisatie risico’s voor de gezondheid aangeeft.

Astma wordt meer gerapporteerd door moeders in de stedelijke agglomeraties.
 
Je kan enkele achtergronddocumenten raadplegen op onze website.
Meer informatie kan je ook vinden op de website van het Steunpunt Milieu en Gezondheid

Tweede fase: Campagne jongeren mei 2006

Wat zijn de belangrijkste bevindingen:

Biomonitoringscampagne campagne adolescentenEr werden verschillen tussen de aandachtsgebieden vastgesteld in het gemiddelde gehalte van lood en cadmium in bloed en van moeilijk afbreekbare chloorhoudende verbindingen zoals PCB’s, HCB en DDE.
De gemiddelde gehalten van afbraakproducten van benzeen en PAKs in de urine waren niet verschillend tussen de aandachtgebieden.
Net zoals in de meetcampagne van de pasgeborenen waren in het landelijk gebied de gehalten van chloorhoudende verbindingen in het bloed verhoogd. Nu blijkt opnieuw dat het cadmiumgehalte in bloed verhoogd is in dit landelijk gebied ten opzichte van de referentiewaarde.
Deelnemers uit de fruitstreek hebben verlaagde gehalten van PCB’s, lood en cadmium. Dit is vergelijkbaar met wat gemeten is bij pasgeborenen.
In het Gentse stedelijke gebied worden verhoogde bloedgehalten van PCB’s gemeten, terwijl in de Antwerpse agglomeratie de gehalten van lood en cadmium in bloed verhoogd zijn in vergelijking met het referentiegemiddelde van de ganse campagne. Dezelfde trend blijkt in de aanleunende havengebieden en in verbrandingsovengebieden van deze regio’s.
Zoals bij de pasgeborenen worden bij de jongeren van de Albertkanaalzone verhoogde DDE-gehaltes in bloed gemeten, en dit wordt nu ook waargenomen in de regio Olen en in het Gentse havengebied.
 
In het aandachtsgebied verbrandingsovens worden geen verschillen in blootstelling ten opzichte van de Vlaamse referentiewaarden gevonden.Wordt dit gebied verder opgesplitst in kleine gebieden per verbrandingsoven dan blijkt dat sommige vervuiling erg lokaal blijkt zoals voorbeeld in de regio Menen, Roeselare ….
 
Naast gebied zijn er ook andere factoren die de gemeten gehalten aan verontreinigende stoffen verklaren, bijvoorbeeld: jongens hebben hogere gehalten dan meisjes, roken verhoogt de gehalten van cadmium en PAKs, de inname van lokaal gekweekte voeding verhoogt de gehalten aan chloorhoudende stoffen in het bloed. Ook jongeren die als kind borstvoeding kregen, hebben hogere gehalten.

Borstvoeding blijft echter nog altijd de beste voeding voor een baby.
Voedingsgewoonten hebben een bijdrage maar kunnen de streekverschillen niet volledig verklaren.
Het voorkomen van astma bij de jongeren is hoog (9% diagnose door een arts, 25 % eigen rapportering). Het voorkomen verschilt echter niet naargelang de woonplaats.
Er werden ook aanwijzingen gevonden dat geslachtsontwikkeling in sommige aandachtsgebieden vertraagd is. Ook werden verschillen waargenomen voor schade aan DNA. Een verband met de gemeten blootstelling is niet onmiddellijk duidelijk. Het meten van biomerkers van effect is belangrijk. Ze kunnen effecten opsporen van verontreinigende stoffen die aanwezig zijn in het lichaam maar waarvan de gehaltes niet noodzakelijk gemeten werden in de meetcampagne. Er werden relaties gevonden tussen de gemeten blootstelling en de gemeten gezondheidseffecten. Zo kwam bijvoorbeeld astma meer voor bij stijgende cadmiumconcentraties en bleek lood een verband te vertonen met herstelbare schade aan het DNA. Deze relaties worden nog moeten nog verder uitgediept en geïnterpreteerd worden. Dit zijn echter niet noodzakelijk causale verbanden.
 
Meer info en achtergronddocumenten kan je terugvinden op de website van het Steunpunt Milieu en Gezondheid en op de downloadpagina.
 

Derde fase: Campagne volwassenen (50-65 jaar)

Biomonitoringscampagne campagne volwassenenDe resultaten van deze campagne kan je terugvinden onder "Infotheek/downloads".
 
 
 
 
 
 
 
 
 
terug

Fasenplan

Helaas geven metingen in de mens geen rechtstreekse aangrijpingspunten voor een beleid. Ze zeggen immers weinig over de mogelijke oorzaken en bronnen van gevonden afwijkingen. Daarom werd in 2004 in opdracht van de Dienst Milieu & Gezondheid van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE), en in nauw overleg met de IVA (intern verzelfstandigd agentschap) Zorg en Gezondheid, een fasenplan uitgewerkt. Bedoeling is om vanuit de biomonitoringresultaten aan adviezen voor beleidsmaatregelen te werken. Het fasenplan is een concept en leidraad en zal bijgevolg verder worden verfijnd en uitgetest.
 
Met dit fasenplan wordt getracht om op transparante, geobjectiveerde en systematische wijze eventuele afwijkende meetwaarden te herkennen en te evalueren.  Op basis van dit afwegingsproces worden dan prioriteiten voor aanpak voorgesteld. Daartoe werd het plan opgesplitst in een voorfase en drie opeenvolgende fasen:
  • voorfase: vaststelling afwijking biomerkerwaarden
  • fase I: evaluatie afwijking biomerker naar ernst en prioriteiten
  • fase II: bepaling oorzaak afwijking (milieu of ‘levensstijl’)
  • fase III: identificatie lokale bron
 
In de voorfase beoordelen experten van het Steunpunt Milieu & Gezondheid elke biomerkermeting van vervuilende stoffen of gezondheidseffecten in de aandachtsgebieden in het licht van: internationale advieswaarden (voor zover beschikbaar), internationale meetwaarden en een Berekende Referentiewaarde (referentiegemiddelde & referentie-90ste percentiel) van alle onderzochte gebieden in de biomonitoring. 
Indien uit  fase I blijkt dat het probleem als ernstig en beleidsmatig en maatschappelijk relevant wordt ingeschat door experten en ook prioritair beoordeeld wordt door een jury (hierbij wordt ook rekening gehouden met beleidsmatige en maatschappelijke aspecten) om aan te pakken dan zal indien de bevoegde Minister(s) daartoe besluit(en) worden overgegaan naar fase II. Deze ministers hebben immers opdracht gegeven aan het Steunpunt Milieu en Gezondheid om de bloostelling en mogelijke effecten daarvan bij de Vlaamse bevolking te meten.
In fase II wordt onderzocht of de afwijking te wijten is aan milieuverontreiniging dan wel aan levensstijlfactoren (aard voeding, werk, hobby’s, rookgewoonten) die eventueel systematisch verschillen tussen de aandachtsgebieden. Ook wordt hierbij gekeken naar beleidsmatige en maatschappelijke aspecten. Indien geoordeeld wordt dat de factor milieu van belang is, wordt overgegaan naar fase III.
In fase III wordt nagegaan of er een lokale bron is, die in verband kan worden gebracht met de geobserveerde afwijkende  meetwaarden in het aandachtsgebied.
 
Elke fase doorloopt achtereenvolgens een aantal stappen. Eerst wordt door een onderzoeksteam van het Steunpunt Milieu & Gezondheid desk research gedaan met betrekking tot de vraag die in betreffende fase voorligt. Op basis hiervan wordt aan experten een aantal vragen voorgelegd samen met documentatie over het vraagstuk. Naast medisch-milieukundige aspecten, wordt hierbij ook steeds naar beleidsmatige en maatschappelijke aspecten gekeken. Vervolgens komen in een jury-discussie maatschappelijke actoren aan het woord om hun inzichten en meningen over het vraagstuk te geven. Het onderzoeksteam maakt van 1) de desk research, 2) de expertenronde en 3) de jury-discussie een synthese op basis waarvan de bevoegde Minister(s) op een onderbouwde en afgewogen wijze kunnen beslissen en communiceren of er, en zo ja welke, verdere stappen gezet moeten worden.

Resultaten DDE van de deelcampagne bij pasgeborenen

Landelijk Vlaanderen:
De resultaten van de pasgeborenencampagne zijn sinds juni 2005 per aandachtsgebied bekend. Daaruit bleek dat in het landelijke gebied de concentraties van dioxineachtige stoffen, PCB’s, DDE (= een afbraakproduct van het insecticide DDT) en hexachloorbenzeen in het navelstrengbloed verhoogd waren ten opzichte van het Vlaamse referentie gemiddelde.
Albertkanaalzone:
De resultaten van de pasgeborenencampagne zijn sinds juni 2005 per aandachtsgebied bekend. Daaruit bleek dat in de Albertkanaalzone de concentratie van DDE (= een afbraakproduct van het insecticide DDT) was in het navelstrengbloed verhoogd was ten opzichte van het Vlaamse referentiegemiddelde. 

Resultaten DDE van de deelcampagne bij jongeren

Landelijk Vlaanderen:
De resultaten van de jongerencampagne zijn sinds kort (30 mei 2006) per aandachtsgebied bekend. Daaruit bleek dat in het landelijk gebied de concentraties van dioxineachtige stoffen, PCB’s, DDE (= een afbraakproduct van het insecticide DDT) en hexachloorbenzeen (= een pesticide om schimmelvorming af te remmen) ook in het bloed van jongeren verhoogd waren ten opzichte van het Vlaamse referentie gemiddelde.
Albertkanaalzone:
De resultaten van de jongerencampagne zijn sinds kort (30 mei 2006) per aandachtsgebied bekend. Daaruit bleek dat in de Albertkanaalzone de concentratie van DDE (= een afbraakproduct van het insecticide DDT) ook in het bloed van jongeren verhoogd was ten opzichte van het Vlaamse referentiegemiddelde.

Waarom speciale aandacht voor DDE?

Vanuit de plan-stuurgroep (deze stuurgroep volgt de werking van het fasenplan op; ze omvat vertegenwoordigers van de overheid, overheidsinstellingen en het Steunpunt Milieu & Gezondheid samen) werd beslist om de DDE verhogingen, direct in fase II te behandelen, dus zonder evaluatie van de ernst en de prioriteit van de ‘verhoging’ van deze stof in de betroffen regio’s (zoals normaal in fase I wordt beoordeeld). De DDE metingen worden als casus beschouwd voor het uittesten van het fasenplan (piloot-fasenplan). 

DDE-fasenplan in landelijk Vlaanderen (de Albertkanaalzone)

Het fasenplan rond DDE in landelijk Vlaanderen (de Albertkanaalzone) is al even van start gegaan. In fase twee van het fasenplan ligt de nadruk op de vraag of de relatief hoge meetwaarden van DDE in het navelstrengbloed vooral te wijten zijn aan het milieu, dan wel aan de levensstijl van de deelnemende moeders.  
terug

Deelstudie Astma en allergie bij opgroeiende kinderen

De studie ‘Astma en Allergie bij opgroeiende kinderen’ is één van de twee opvolgstudies die gekoppeld wordt aan de biomonitoringscampagne die in Vlaanderen liep. Gedurende 36 maanden wordt de gezondheidssituatie van 200 jonge kinderen in Vlaanderen opgevolgd.
Recent onderzoek wijst blootstelling aan polluenten in het milieu steeds vaker als schuldige aan voor de toegenomen prevalentie van atopische aandoeningen (erfelijke aanleg voor allergiëen) en astma. De wegen waarlangs polluenten hun invloed op het immuunsysteem doen gelden zijn momenteel niet zo duidelijk. Mogelijk speelt de darm een belangrijke rol als blootstellingskanaal. Recent onderzoek geeft aanwijzingen dat de microbiële darmflora een belangrijke rol speelt in de opbouw van de immuniteit. Deze flora wordt normaal opgebouwd onmiddellijk na de geboorte met bacteriën van de moeder maar kan in de loop van het leven verstoord bijvoorbeeld antibiotica, mogelijks ook door polluenten.
Verstoring zou de darm gevoeliger maken voor de inwerking van allergenen met meer voorkomen van astma en allergie voor gevolg.
terug

Deelstudie “Neuropsychologische ontwikkeling bij opgroeiende kinderen”

Biomonitoringscampagne neuropsychologische deelstudieDe studie ‘Neuropsychologische Ontwikkeling bij opgroeiende kinderen’ is één van de twee opvolgstudies die gekoppeld wordt aan de biomonitoringscampagne die in Vlaanderen liep. Gedurende 42 maanden wordt de gezondheidssituatie van 200 jonge kinderen in Vlaanderen opgevolgd.
In de ons omringende lucht, in het water en in onze voeding zijn heel wat schadelijke stoffen aanwezig. Voorbeelden zijn lood, cadmium, PCB’s en dioxineachtige stoffen. Een deel van deze stoffen, aanwezig in het lichaam van de moeder, wordt tijdens de zwangerschap op de ongeboren baby overgedragen. Een zorgwekkende situatie, temeer omdat de hersenen van de ongeboren en pasgeboren baby’s minder goed bestand zijn tegen schadelijke invloeden op de gezondheid. Deze situatie is het uitgangspunt van dit onderzoek.

De opvolgstudie wil namelijk nagaan in hoeverre deze stoffen een effect hebben op de verdere ontwikkeling van het kind, namelijk de verstandelijke en de temperamentsontwikkeling van het kind.
terug

Hotspots 2009-2010

Meer informatie hierover wordt binnenkort toegevoegd
terug

Rol van de Medisch Milieukundige bij de LOGO’s

Medisch milieukundigen bij de logo'sInformatie over milieugerelateerde gezondheidsrisico’s veroorzaakt vaak veel ongerustheid. Vele mensen stellen zich misschien de vraag hoe de situatie gesteld is in hun dorp of straat: “Kan ik zelf nog veilig groenten telen?”, “Hoe kan ik mezelf beschermen tegen milieugerelateerde gezondheidsrisico’s?” etc.
 
De resultaten van de Biomonitoringscampagne kunnen op deze vragen geen antwoord geven, maar kunnen wel lokale ongerustheid doen oplaaien. Mensen zullen dan in de eerste plaats raad en informatie komen vragen aan de lokale gemeentelijke (milieu-)ambtenaar, de huisarts, de buurtwerker,…
 
De MMK’s vinden het belangrijk dat iedereen die vragen, bemerkingen, ongerustheden,... heeft, ergens vlot en eenvoudig terecht kan. Niet alleen burgers en deelnemers aan de pasgeborenencampagne, maar ook de lokale intermediairs. De MMK’s nemen in overeenstemming met de Vlaamse Overheid en het Steunpunt Milieu & Gezondheid deze rol op zich.
 
De MMK’s vormen niet alleen het aanspreekpunt voor algemene vragen over de pasgeborenencampagne. Aan de lokale actoren en betrokkenen bieden zij ook een uitgebreid infopakket aan. Daarbij bestaat ook de mogelijkheid om samen met de MMK informatievergaderingen/lezingen over de pasgeborenencampagne te organiseren (vb. op LOK-vergaderingen, Gezondheids-, Milieu en/of Welzijnsraden, op buurtcomités etc.).
 
Voor de MMK’s is het een grote bekommernis dat de discussie rond het thema gezondheid en milieu niet beperkt blijft tot een dialoog tussen wetenschappers en beleidsmakers ergens in een ivoren toren in Brussel. Het debat moet ook gevoerd worden samen met de verschillende lokale actoren en betrokkenen op vlak van gezondheid en milieu.
 
De MMK’s zijn er van overtuigd dat jouw deelname als lokaal intermediair een belangrijke meerwaarde betekent aan het debat: jij hebt vaak een gedetailleerder beeld van lokale milieu-gezondheidsknelpunten en -factoren die bij de bevolking onrust veroorzaken. Door jouw goede vertrouwensrelatie met andere burgers vertegenwoordig jij de stem van velen die anders niet of nauwelijks gehoord zouden worden. De MMK’s zullen dan ook zoveel mogelijk trachten om ‘dat wat lokaal leeft’ door te geven aan de experts en beleidsmakers opdat zij dat mee in rekening kunnen nemen bij de beleidsvorming op vlak van gezondheid en milieu.
 
Voor meer informatie over de resultaten van de verschillende delen van de biomonitoringslcampagne, een artikel over deze resultaten in je eigen nieuwsbrief of infoblad of voor het organiseren van een informatieavond/lezing: aarzel niet contact op te nemen met jouw lokale MMK.
 
terug

webdesign JMA